Terug naar overzicht

Seksueel overdraagbare aandoeningen in Nederland: RIVM-jaarcijfers 2016

05/07/2017

Medisch

Auteur(s): M. Visser, F. van Aar, A. van Oeffelen et al, Centrum Infectieziektebestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Het aantal mensen dat zich bij een Centrum Seksuele Gezondheid (CSG) heeft laten testen op soa is, na een daling in 2015, in 2016 weer toegenomen. Daarmee is het aantal consulten terug op het niveau van 2014. Het percentage bezoekers bij wie een soa werd vastgesteld is opnieuw gestegen, tot 18,4 procent. Chlamydia blijft de meest voorkomende soa onder heteroseksuelen, maar onder mannen die seks hebben met mannen (MSM) werd meer gonorroe vastgesteld. Dit blijkt uit het RIVM-jaarrapport 'Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2016', waarin de landelijke surveillancecijfers van de CSG gepresenteerd worden, evenals van andere registratiebronnen met betrekking tot soa en/of hiv (zoals huisartsendata). De belangrijkste bevindingen uit het soa/hiv-jaarrapport van 2016 worden in dit artikel samengevat. Het volledige rapport is beschikbaar via www.rivm.nl/soa.

 

Soa-consulten

In 2016 zijn bij de CSG in totaal 143.139 consulten geregistreerd, een toename van 5% ten opzichte van 2015 (Figuur 1). Deze toename was het grootst bij MSM (+17,1%), gevolgd door de toename bij vrouwen (+2,4%). Bij heteroseksuele mannen nam het aantal consulten iets af (-1,8%). Bij de CSG kunnen mensen die, volgens een landelijk afgestemd triagesysteem, tot hoogrisicogroepen behoren, zich kosteloos op soa laten testen. Tot deze groep behoren, onder andere, MSM, personen die voor een soa gewaarschuwd zijn door een (voormalige) partner, personen met soa-gerelateerde klachten, en jongeren onder de 25 jaar. Landelijk werden de meeste soa-consulten uitgevoerd door de huisarts: in 2015 waren er naar schatting 266.000 soa-gerelateerde episodes (data van 2016 zijn nog niet beschikbaar). Dit is een lichte daling ten opzichte van 2014.

Het percentage consulten op de CSG waarbij één of meerdere soa werden vastgesteld (chlamydia, gonorroe, infectieuze syfilis, hiv of infectieuze hepatitis B), is toegenomen van 17,2% in 2015 naar 18,4% in 2016 (figuur 1). Deze stijging was het sterkst bij heteroseksuele mannen en vrouwen. Maar ook onder MSM is het vindpercentage langzaam toegenomen de afgelopen jaren: van 19,4% in 2010 naar 21,2% in 2016. Het soa-vindpercentage was het hoogst onder hiv-positieve personen (34,6%) en bij personen die gewaarschuwd waren voor een soa (31,7%). Partnerwaarschuwing speelt een belangrijke rol in het opsporen van infecties. Van alle heteroseksuele mannen met een soa op de CSG was 44,7% gewaarschuwd in 2016, en ook onder vrouwen en MSM waren de proporties soa ontdekt via partnerwaarschuwing relatief hoog (35,2% en 34,2%).

Nieuw in het jaarrapport zijn figuren over verschillen tussen regio’s in karakteristieken van de CSG bezoekers, het aantal testen en het vindpercentage van soa. Zo bleek het aantal consulten per 1.000 inwoners het hoogst te zijn in Amsterdam (45 per 1,000 inwoners). Voor andere regio’s varieerde dit aantal tussen de 3 en 15 consulten per 1,000 inwoners.

 

Figuur 1

Totaal aantal testen en het percentage positieve testen bij de CSG onder vrouwen, heteroseksuele mannen en MSM, 2007-2016.

 

jaarcijfers RIVM 2016 - figuur 1

 

 

Chlamydia

In 2016 werden er bij de CSG in totaal 20.698 chlamydia-infecties gediagnosticeerd, een toename van 11% ten opzichte van 2015. Het vindpercentage steeg van 13,7% in 2015 naar 14,5% in 2016. Deze stijging was vooral te zien bij vrouwen en heteroseksuele mannen. Bij MSM ligt het vindpercentage al jaren stabiel rond de 10%. Naar schatting waren er in 2015 35.400 chlamydia-episodes bij huisartsen, een lichte stijging ten opzichte van 2014. Het aantal episodes per 1.000 inwoners bleef echter stabiel met 2,1 episodes per 1.000 inwoners in 2015 t.o.v. 2,0/1.000 in 2014.

Opvallend is de toename van het aantal lymfogranuloma venereum-diagnoses (LGV, een agressieve variant van chlamydia) bij de CSG. Vooral onder hiv-negatieve MSM werd een grote stijging gezien: van 65 gevallen in 2015 naar 109 in 2016, een toename van 68%. Het percentage LGV-positieven onder de geteste MSM met analyse chlamydia nam toe tot 9,2% in 2016, vergeleken met 6,7% in 2013.

 

Gonorroe

Het aantal gonorroe-diagnoses bij de CSG is in 2016 met 13 procent gestegen tot 6.092 diagnoses. Driekwart van alle gonorroe-diagnoses was vastgesteld bij MSM. Onder MSM steeg ook het percentage gevonden infecties: van 10,7% in 2015 naar 11,3% in 2016. Een stijging werd gezien bij zowel hiv-positieve als hiv-negatieve MSM. Opmerkelijk is dat het gonorroe-vindpercentage onder MSM sinds 2015 hoger is dan het chlamydia-vindpercentage. Het aantal geschatte gonorroe-episodes bij de huisarts nam in 2015 iets af bij vrouwen vergeleken met 2014, maar steeg bij mannen van 4.500 episodes in 2014 tot 5.400 in 2015. Ook het aantal gonorroe-episodes per 1.000 inwoners nam toe onder mannen (van 0,5/1.000 in 2014 naar 0,7/1.000 in 2015).

Resistentie tegen ceftriaxon, het huidige eerstekeusantibioticum voor behandeling van gonorroe, is in Nederland nog niet gerapporteerd. Het percentage gonorroe dat resistentie tegen azitromycine liet zien is gestegen, van 11,0% in 2015 naar 13,8% in 2016. Van de personen met gonorroe op de CSG was 38% succesvol getest op antibioticaresistentie.

 

Syfilis

Een opmerkelijke stijging werd gezien in het aantal syfilisdiagnoses bij de CSG. In 2016 steeg het aantal diagnoses met 30% ten opzichte van 2015, naar 1.223 infecties. Van alle syfilisdiagnoses werd 95% vastgesteld bij MSM. Het vindpercentage onder MSM is toegenomen van 2,0% in 2011 tot 2,9% in 2016. Deze stijging is het sterkst onder hiv-positieve MSM: van 4,5% in 2011 naar 8,4% in 2016. Maar ook het percentage syfilisdiagnoses onder hiv-negatieve MSM is over de laatste jaren langzaam toegenomen (van 1,4% in 2013 tot 2,0% in 2016). Vindpercentages onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleven zeer laag (respectievelijk 0,07% en 0,19%).

 

Hiv

In 2016 zijn er bij de Stichting HIV Monitoring (SHM) 976 nieuwe patiënten aangemeld in zorg. In 2015 waren dit er nog 1.033. Van deze personen waren er 666 nieuw gediagnosticeerd in 2016, minder dan in voorgaande jaren (aantal kan nog oplopen door rapportagevertraging). Van de patiënten gediagnosticeerd in 2016 presenteerde 46% zich laat in zorg (met CD4 <350/mm3 of aids). Dit percentage lag hoger bij vrouwen en heteroseksuele mannen (51% en 57%) dan bij MSM (35%). Naar schatting waren in 2015 88% van alle personen met hiv gediagnosticeerd en in zorg. Van hen was 88% gestart met behandeling, en daarvan had 93% een onderdrukte virale lading.

Bij de CSG zijn in 2016 285 nieuwe hiv-diagnoses vastgesteld, vrijwel evenveel als in 2015 (288). Van deze diagnoses was 93% MSM. Het hiv-vindpercentage onder MSM is over de afgelopen jaren gedaald, van 2,8% in 2007 tot 0,8% in 2016. De hoogste vindpercentages werden gezien bij MSM die gewaarschuwd waren voor hiv door een partner (3.9%), en bijna een derde van alle hiv-diagnoses onder MSM betrof mannen die waren gewaarschuwd voor hiv door een partner.

 

Genitale wratten en genitale herpes

Veruit het grootste deel van de genitale wratten- en genitale herpes-diagnoses werd gesteld bij de huisarts. In 2015 waren daar naar schatting 36.800 diagnoses van genitale wratten en 20.500 diagnoses van genitale herpes. De huisarts rapporteerde vaker genitale wratten bij mannen (56%), terwijl herpes vaker bij vrouwen gezien werd (70%). Bij de CSG wordt alleen op indicatie onderzoek verricht naar genitale wratten en genitale herpes, waardoor het aantal diagnoses niet vergelijkbaar is met die van bacteriële soa en hiv, waar routinematig op getest wordt. Bij de CSG wordt geen routinematig onderzoek verricht naar genitale wratten en genitale herpes, waardoor het aantal diagnoses niet vergelijkbaar is met die van de bacteriële soa en hiv. Er werden in 2016 1.785 genitale wratten diagnoses en 519 genitale herpes diagnoses gesteld bij de CSG.

 

Hepatitis B en C

In 2016 zijn er in totaal 109 hepatitis B-diagnoses gesteld bij de CSG, dit betreft zowel acute als chronische gevallen. In het kader van de aangifteplicht, waarin meldingen zitten van de CSG maar ook van andere bronnen, werden er 109 meldingen van acute hepatitis B gedaan in 2016. Seksueel contact was de meest voorkomende transmissieroute (64%). Het aantal hepatitis C-meldingen is gedaald van 67 in 2015 naar 44 in 2016. Onbeschermd seksueel contact tussen mannen was de belangrijkste transmissieroute. Van de 44 meldingen waren 30 van MSM, en daarvan was 90% hiv-positief.

 

Conclusies

Het aantal soa-consulten bij de CSG is na een daling in 2015, in 2016 weer toegenomen tot het niveau van 2014. Ook het percentage consulten waarbij een soa werd gediagnosticeerd nam toe tot 18,4%. Bij de CSG namen zowel het aantal opgespoorde chlamydia-, gonorroe- en syfilis-diagnoses toe, terwijl het aantal hiv-diagnoses stabiel bleef ten opzichte van 2015. De stijgingen in het aantal soa’s en de vindpercentages bij heteroseksuele mannen en vrouwen is mogelijk te verklaren door prioritering van personen die de zorg van de CSG’s het meest nodig hebben. Het dalende aantal soa-consulten bij huisartsen zou erop kunnen wijzen dat personen die op dit moment geweigerd worden bij de CSG, zich niet in plaats daarvan bij de huisarts laten testen, maar elders of helemaal niet. Intensieve soa-surveillance blijft belangrijk om zicht te houden op de hoogrisicogroepen. Verder zijn de stijgende aantallen gonorroe, syfilis en LGV onder MSM opvallende trends. Aanvullend onderzoek en goede surveillance zijn nodig om deze toenemende trends te verklaren en nog effectievere preventie uit te kunnen voeren. Partnerwaarschuwing is erg belangrijk voor het opsporen van infecties, wat onder andere blijkt uit de hoge vindpercentages onder gewaarschuwde personen. Meer inzet op preventie van soa’s, zoals het promoten van condoomgebruik, het tijdig testen en behandelen na risicovolle seks, en het tijdig en volledig waarschuwen van huidige- en ex-partners, is nodig om soa-transmissie te verminderen.

 

Meer lezen?

Met het bericht Meer soa's gevonden, lokale actie gevraagd, reageert Soa Aids Nederland op de bekendmaking van de landelijke surveillance cijfers van CSG door het RIVM. In dit bericht wordt de betekenis van de actuele cijfers in de soa-zorg nader geduid voor publiek en professionals.

In het dossier soa en hiv worden de meest actuele feiten en cijfers over dit werkgebied op een rij gezet en inzicht gegeven in de uitdagingen die hieruit volgen voor professionals en beleidsmakers.  

Eerder publiceerde RIVM in Seksoa Magazine over het verschil tussen bevolkingsgroepen in het bereik van de soa-zorg. In twee studies werd onderzocht in hoeverre mensen uit een soa-endemisch land gebruik maken van soa-zorg bij CSG en de huisarts.

 

Correspondentie

maartje.visser@rivm.nl

 

Auteurs compleet

M. Visser, F. van Aar, A.A.M. van Oeffelen, I.V.F. van den Broek, E.L.M. Op de Coul, S.H.I. Hofstraat, J.C.M. Heijne, C. den Daas, B.M. Hoenderboom, D.A. van Wees, M. Basten, P.J. Woestenberg, H.M. Götz, B.H.B. van Benthem.

 

Literatuur

Visser M, van Aar F, van Oeffelen AAM, et al. Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2016. Bilthoven: RIVM Rapport nummer 2017-0003. 2017.

 

Kernwoorden

Soa, chlamydia, gonorroe, syfilis, hiv, genitale wratten, genitale herpes, hepatitis B, hepatitis C, MSM, jongeren, monitoring, Centrum Seksuele Gezondheid.

 

Delen

Alle SekSoa Magazine artikelen zijn terug te vinden in ons archief

Bekijk archief