1984-1993 Angst voor aids

1984-1993: Angst voor aids

Het aantal aidspatiënten neemt almaar toe. Net als in vele andere landen, is er in Nederland een aidscrisis. Deze wordt gekenmerkt door angst: voor besmetting, financiële tekorten, onvoldoende medische voorzieningen en – helaas – ook voor de mensen die met hiv geïnfecteerd zijn. Door grootschalige voorlichtingscampagnes neemt het condoomgebruik in Nederland toe, waardoor er minder soa’s gerapporteerd worden.

Steeds meer patiënten

In 1984 telt Nederland 31 aidspatiënten. In 1986 zijn het er 126. Het ziektebeeld ziet er slecht uit: de kans om nog in leven te zijn na 12 maanden aids, is in 1986 maar 50 procent. Het overgrote deel van de Nederlandse aidspatiënten is homoseksueel en woont in Amsterdam. Ook intraveneuze druggebruikers krijgen aids. In het begin van 1986 blijkt ongeveer 30 procent van de Amsterdamse drugsverslaafden seropositief te zijn. Nederland is een van de eerste landen die spuitomruil introduceren, waardoor het aantal hiv-infecties onder drugsgebruikers afneemt.

Hulp vanuit homobeweging

De politiek toont in het begin weinig initiatief om aids te bestrijden. Hulp voor hiv-geïnfecteerden komt veelal van Amsterdamse homoseksuelen. Zo zamelt een aantal homomannen geld in om kerstpakketten te geven aan aidspatiënten. Deze actie leidt tot oprichting van het Aids Fonds. Ook introduceren homo-organisaties het Amerikaanse ‘buddy’-systeem, waarbij vrijwilligers één op één begeleiding bieden aan aidspatiënten. Verder zijn Amsterdamse gezondheidsorganisaties nauw bij de aidsbestrijding betrokken, met als spil de Amsterdamse GG&GD.

Publiekscampagne (1987)

Voorlichting en beleid

In 1985 begint het Landelijk Aids-Coördinatieteam met voorlichting voor risicogroepen. Het team twijfelt of homo’s open zullen staan voor gebruik van het condoom. Daarom wordt met de eerste campagne vooral ingezet op het beperken van zowel wisselende partners als anale seks. De Nederlandse terughoudendheid ten aanzien van condooms is uitzonderlijk; veel andere landen promoten wél condoomgebruik. In 1987 wordt het adviesorgaan Nationale Commissie Aids Bestrijding (NCAB) geïnstalleerd. Dit kenmerkt het begin van de georganiseerde aidsbestrijding.

Eerste publiekscampagne

In 1987 introduceert de Werkgroep Voorlichting en Preventie de eerste publiekscampagne: ‘vrij veilig, stop aids’. De boodschap wordt geïllustreerd met een bloemetje en een bijtje. Dit staat symbool voor de voorzichtige Nederlandse aanpak: aids moet niet geassocieerd worden met angst en paniek. Na deze eerste campagne wordt de stichting (inmiddels heet zij Nederlandse Stichting tot Bestrijding van Sexueel Overdraagbare Aandoeningen) verantwoordelijk voor nieuwe gedragscampagnes. Na de eerste campagne van de stichting zullen nog vele Vrij Veilig campagnes volgen. In de campagnes krijgt condoomgebruik langzaamaan een prominente rol. Ook worden andere soa’s steeds meer betrokken. Later wordt ook het testen via de campagne gepromoot en volgt tevens een campagne om seksuele weerbaarheid te bevorderen. In 2011 stoppen de Vrij Veilig campagnes.

Campagne ter bevordering van condoomgebruik

Minder soa's

Mede door de duidelijke adviezen over condoomgebruik, wordt de aidsepidemie kleiner gehouden dan van te voren was gevreesd. Eind jaren tachtig blijkt dat in tien jaar tijd het condoomgebruik bij losse contacten is gestegen van 20 tot 70 procent. Als gevolg van voorlichting aan risicogroepen en toenemend condoomgebruik nemen soa’s zoals gonorroe en syfilis drastisch af.

Hiv-test

In 1985 komt de hiv-test beschikbaar. Het gebruik ervan wordt echter niet gepromoot. Er kan hiv-patiënten immers geen therapie worden geboden. In eerste instantie wordt de hiv-test alleen ingevoerd bij de bloedbanken ten behoeve van veilige bloedproducten. De uitslag wordt niet meegedeeld aan de donor. Het gevaar daarvan zou zijn dat juist risicogroepen zich aanmelden als bloeddonor om uitsluitsel te krijgen over hun hiv-status. Donoren uit risicogroepen wordt verzocht zich vrijwillig terug te trekken. Ondanks invoering van de test vinden in verschillende landen bloedschandalen plaats.

Onderzoek

Nederland wordt internationaal geroemd om de in 1984 gestarte Amsterdamse Cohort Studies. Bij deze studies worden specifieke groepen mensen over langere tijd gevolgd, waardoor het verloop van de hiv-infectie duidelijk wordt. Nederland profiteert ook van internationale ontdekkingen: als blijkt dat het middel AZT (zidovudine) een remmende werking heeft tegen hiv, wordt het vanaf 1987 gedurende enkele jaren aan vrijwel alle Nederlandse aidspatiënten gegeven. Verder vindt er internationaal veel onderzoek plaats naar een vaccin tegen hiv, helaas zonder succes. Anno 2014 is het nog steeds niet gelukt een effectief vaccin te ontwikkelen.

Angst

Niemand weet hoe de aidsepidemie zich zal ontwikkelen, maar men vreest het ergste. Er wordt voorspeld dat Nederland aan het eind van 1989 zo’n 3.000 aidspatiënten zal tellen. Beleidsmakers zijn bezorgd om de grote budgeten die nodig zullen zijn om de zorg te herorganiseren. Burgers komen met vreemde ideeën zoals het meenemen van ‘schoon’ bloed op vakantie, voor het geval dat men plots een bloedtransfusie nodig heeft. In de medische wereld leiden prikaccidenten tot angst. Tot slot is er angst voor de mensen met aids. Seropositieve beroemdheden, zoals zanger René Klijn, helpen mee deze angst af te zwakken. Op 30 juni 1993 zijn er 2.678 aidspatiënten geregistreerd in Nederland. Een aanzienlijk aantal, maar toch kleiner dan vooraf voorspeld was. Ook in Amerika is de angst voor aids groot; door het daar geldende inreisverbod voor seropositieven wordt de Internationale Aids Conferentie verplaatst naar Amsterdam.

Delen