1964-1973 De seksuele revolutie

1964-1973: De seksuele revolutie

De seksuele revolutie is in volle gang. Met de komst van de anticonceptiepil kent vrije seksuele omgang nog minder drempels. Men acht met de pil als geboortebeperking een condoom niet nodig. Met de komst van de pil en het seksueel enthousiasme nemen de geslachtsziekten toe. Een nieuw bestrijdingsstelsel wordt geïntroduceerd, met daarin ook een rol voor de Nederlandse Vereniging voor Zedelijke Volksgezondheid (Nederlandse Vereniging tot bestrijding der geslachtsziekten).

De seksuele revolutie

Seksueel enthousiasme

Seksualiteit krijgt in de jaren zestig en zeventig een andere betekenis. Niet langer heeft seks ‘slechts’ het voortbrengen van nageslacht als doel. Seks is ook iets waar je van mag genieten en over mag praten. Het is een ‘vitaal onderdeel van het menselijk bestaan’. Seksueel enthousiasme leeft onder zowel heteroseksuelen als homoseksuelen. Het feit dat er meer geslachtsziekten worden vastgesteld bij homoseksuelen, ziet arts Herman Musaph (1965) als een ‘goed’ teken: mogelijk wijst dit op een toenemend bezoek van homoseksuelen aan poliklinieken voor geslachtsziekten.

Veel geslachtsziekten

Tussen 1959 en 1967 verdrievoudigt het aantal geregistreerde geslachtsziekten. Vooral gonorroe, waarvan de verwekker steeds minder gevoelig wordt voor penicilline, komt veel voor. In 1969 onderzoekt men in welke beroepsgroepen de ziekten het meest voorkomen. De (verrassende) top 6 bestaat achtereenvolgens uit fotografen, zeevarenden, kelners, journalisten, vliegers en glazenwassers. In 1964 verzoekt Staatssecretaris Kruisinga (Sociale Zaken en Volksgezondheid) de Centrale Raad voor de Volksgezondheid om onderzoek te doen naar de toename van geslachtsziekten en de mogelijkheid van een wettelijke regeling. De Raad installeert voor dit doel de Commissie Geslachtsziektebestrijding.

Nieuwe vormen van bestrijding

Twee jaar later concludeert deze commissie dat het aantal geslachtsziekten aanzienlijk stijgt en dat een nieuw bestrijdingssysteem gewenst is. Het oude systeem is weinig meer waard; veel adviesbureaus zijn opgeheven en er zijn slechts enkele ervaren verpleegsters over. De Commissie Geslachtsziektebestrijding ziet bij dit nieuwe systeem ook een rol voor de vereniging; zij zou het landelijke contact- en coördinatieorgaan kunnen worden. Er worden geen wettelijke maatregelen geadviseerd: deze zouden de geslachtsziektebestrijding eerder belemmeren dan bevorderen.

Nieuwe bestrijdingsdienst

De 'diensten voor geslachtsziektenbestrijding' treden in werking.

Oprichting van de stichting

Naar aanleiding van de plannen van Kruisinga roept de vereniging in 1972 een ledenvergadering uit. Onduidelijk is echter wie er naast voorzitter Hermans en secretaris van Steenbergen sr. nog lid zijn. Hoe dan ook wordt besloten dat de vereniging voldoende bestaansrecht heeft. In 1973 wordt de vereniging omgezet in de Nederlandse Stichting tot Bestrijding der Geslachtsziekten (hierna aangeduid als ‘de stichting’). Haar doelstellingen zijn het creëren van draagvlak, advisering, samenwerkings- en beleidscoördinatie en deskundigheidsbevordering.

Nieuwe geslachtsziekten

‘Nieuwe’ geslachtsziekten doen hun intrede: trichomoniasis, niet-specifieke urethritis, chlamydia, genitale herpes en hepatitis B. In 1968 waarschuwen Amerikaanse onderzoekers voor overdracht van het hepatitisvirus bij toediening van gepoold plasma (samenvoeging van plasma van verschillende donoren). In een Amerikaans ziekenhuis ontvangen 120 patiënten plasma, waarna 12 van hen geïnfecteerd raken met het virus. In 1973 raakt een aantal patiënten geïnfecteerd via sekspartners, familieleden of huisgenoten. Dit doet vermoeden dat er voor besmetting met hepatitis B zeer nauw contact nodig is. Ook herpes genitalis staat in de belangstelling. Het Academisch Ziekenhuis in Rotterdam onderzoekt 436 vrouwen op herpes, waarna bij 24 vrouwen de ziekte daadwerkelijk wordt vastgesteld.

De stichting waarschuwt voor geslachtsziekten

Delen