Terug naar overzicht

Diversiteit in schattingen: het meten van seksuele oriëntatie en genderidentiteit

30/11/2017

Onderzoek

Auteur(s): Hanneke de Graaf, Sanne Nikkelen & Bouko Bakker, Rutgers

Om de sociale veiligheid en fysieke, seksuele en psychische gezondheid van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuele mannen en vrouwen en transgenders in kaart te kunnen brengen, is het belangrijk om in bevolkingsstudies te vragen naar seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Daarnaast is inzicht in het aantal lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgenderpersonen in Nederland relevant voor het onderbouwen van het belang van aandacht voor deze groepen. Dit artikel geeft een overzicht van de verschillende manieren waarop deze concepten worden gemeten in verschillende Nederlandse bevolkingsstudies. Daarnaast toont het schattingen van het aantal lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuele mannen en vrouwen en transgenders in Nederland die uit deze onderzoeken voortkomen.

Seksuele oriëntatie en genderidentiteit

Seksuele oriëntatie en genderidentiteit zijn multidimensionale aspecten van iemands identiteit. Seksuele oriëntatie wordt vaak ingedeeld in drie dimensies: seksuele aantrekking, seksueel gedrag en zelfbenoeming. Relationele aspecten (zoals romantische relaties) vormen ook een dimensie van seksuele oriëntatie, maar worden minder vaak meegenomen. Voor transgenders is niet alleen de genderidentiteit belangrijk, maar ook geboortegeslacht, genderexpressie, onvrede met het lichaam en transitiewens. Verschillende dimensies van seksuele oriëntatie en genderidentiteit zijn geen dichotomie maar een continuüm. Personen hoeven zich bijvoorbeeld niet uitsluitend man óf vrouw te voelen, maar kunnen zich in meer of mindere mate man of vrouw voelen. De dimensies van seksuele oriëntatie en genderidentiteit hangen wel met elkaar samen, maar zijn niet één op één verbonden. Iemand die seks heeft met personen van hetzelfde geslacht hoeft zichzelf bijvoorbeeld niet homo- of biseksueel te noemen. Daarnaast hoeft iemand die het geboortegeslacht man heeft en zich als vrouw identificeert dit niet per se te uiten of een transitiewens te hebben. Dit maakt niet alleen het onderzoeken van seksuele oriëntatie en genderidentiteit complex, maar ook het uitvragen in de klinische praktijk.

Schattingen seksuele oriëntatie op basis van seksuele aantrekking

Voor het meten van seksuele oriëntatie wordt veel vaker naar (seksuele) aantrekking gevraagd dan naar gedrag of zelfbenoeming. Wanneer seksuele aantrekking wordt gemeten met drie categorieën varieert het percentage homoseksuele en biseksuele mannen van 4,5 tot 5,9% en het percentage lesbische en biseksuele vrouwen van 5,3 tot 5,8% (zie Tabel 1). Bij vijf antwoordcategorieën zijn deze schattingen hoger: respectievelijk 5,6 tot 8,8% en 10,7 tot 11,6%. Het lijkt erop dat respondenten, die zich vooral (maar niet uitsluitend) tot het andere geslacht aangetrokken voelen, toch aangeven op het andere geslacht te vallen wanneer er maar één categorie is voor aantrekking tot beide seksen. De hoogste schattingen komen bovendien uit een onderzoek onder een internetpanel (SGIN ’11), dat minder representatief is voor de landelijke populatie dan een random getrokken steekproef uit het bevolkingsregister. Soms wordt de vraag naar seksuele oriëntatie ingeleid met de melding dat deze vraag alleen wordt gesteld om verbanden met de hoofdvraag (bijvoorbeeld gezondheid of veiligheid) vast te stellen (GE/LSM’15, VM’15). Dit kan van invloed zijn op de resultaten. Mogelijk zijn mensen in een enquête over psychische stoornissen of veiligheid minder open over hun seksuele oriëntatie, omdat ze niet willen dat deze geassocieerd wordt met psychische problemen of slachtofferschap.

Schattingen seksuele oriëntatie op basis van gedrag en zelfbenoeming

In twee bevolkingsstudies (SGIN ’11, NEMESIS-2) is gevraagd naar gedrag (het geslacht van de personen met wie men seks had in de afgelopen zes of twaalf maanden). Op basis van de antwoorden op deze vraag varieert de schatting van het percentage homo- en biseksuele mannen van 2,0 tot 5,4% en het percentage lesbische en biseksuele vrouwen van 1,6 tot 2,1%. Deze percentages liggen een stuk lager dan de percentages bij aantrekking. Dit komt vooral omdat niet iedereen seksueel contact heeft gehad in de voorgaande zes of twaalf maanden. Tot op heden is alleen in SGIN’09 aan personen die (ook) seksuele aantrekking tot het eigen geslacht voelden naar zelfbenoeming gevraagd. Van de mannen geeft 6,3% aan seksuele aantrekking te voelen tot het eigen geslacht én zichzelf homo- of biseksueel te noemen. Bij vrouwen is dat 4,3%.

Schattingen transgenders

Tot op heden is er maar in één Nederlandse bevolkingsstudie gevraagd naar genderidentiteit (SGIN’11). In dit panelonderzoek werd gevonden dat 4,7% van de personen met het geboortegeslacht ‘man’ en 3,2% van de personen met het geboortegeslacht ‘vrouw’ zich psychisch evenveel man als vrouw voelt. Daarnaast werd gevonden dat 1,1% van de personen met het geboortegeslacht ‘man’ en 0,9% van de personen met het geboortegeslacht ‘vrouw’ zich sterker identificeert met het andere dan het geboortegeslacht. Ongeveer een kwart van de mensen met deze transgendergevoelens heeft ook onvrede met zijn of haar mannen- of vrouwenlichaam. Ruim de helft hiervan heeft een behandelwens. Replicatie en verdieping van deze cijfers is nodig. Zo weten we niet of deze mensen een geslachtsaanpassende behandeling hebben ondergaan. Bovendien werd de vraag voorgelegd aan een internetpanel, dat een minder goede afspiegeling is van de landelijke populatie dan een random getrokken steekproef uit het bevolkingsregister. 

Conclusie en aanbevelingen

Nederlandse bevolkingsonderzoeken laten grote variatie zien in de manier waarop seksuele oriëntatie wordt geoperationaliseerd en gemeten. Hierdoor lopen de schattingen van het aantal lesbische, homoseksuele en biseksuele personen in Nederland sterk uiteen. Genderidentiteit wordt vrijwel nooit meegenomen in bevolkingsstudies, waardoor schattingen van het aantal transgenders in Nederland beperkt zijn. Het is belangrijk dat bevolkingsstudies deze concepten meenemen, om de veiligheid en gezondheid van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuele mannen en vrouwen en transgenders in kaart te kunnen brengen. Datzelfde geldt voor registraties. Voor eenduidige schattingen van het aantal lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgenderpersonen in Nederland, is van belang om seksuele oriëntatie en genderidentiteit op een vergelijkbare manier te meten. Hoe dat het beste gedaan kan worden, is echter afhankelijk van het doel van het opnemen van vragen over deze concepten en de aard van het onderzoek (een bevolkingsstudie of een registratie). In de whitepaper “Het meten van seksuele oriëntatie en genderidentiteit in bevolkingsstudies”, vindt u een advies voor het meten van deze concepten. U kunt deze hier downloaden.

Bronnen

  • Seksuele Gezondheid in Nederland 2009/2011 (SGIN ’09/‘11) van Rutgers
  • De Leefsituatie-index 2014 (SLI ‘14) van het SCP (Bron: LHBT-Monitor 2016, SCP)
  • Het NEMESIS-2 onderzoek van het Trimbos instituut (2009)
  • De Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor 2015 (GE/LSM ’15), CBS i.s.m. RIVM en Rutgers
  • De veiligheidsmonitor 2015 (VM ’15) van het CBS

 

Redactioneel commentaar

Afhankelijk van de wijze waarop seksuele oriëntatie uitgevraagd wordt, ontstaat een ander beeld van seksuele diversiteit. Dit geldt niet alleen voor onderzoek, maar ook voor de klinische praktijk. In een triage-gesprek voor een gratis soa-test zijn bijvoorbeeld genderidentiteit en recent seksgedrag leidend, terwijl een Sense of JGZ-verpleegkundige jongeren vraagt naar ervaringen met verliefdheid en relaties. Het doel van de vraag hoort te bepalen welke vraag gesteld wordt. De wijze waarop de vraag vervolgens gesteld wordt is afhankelijk van de belevingswereld van de cliënt.

Praktijkgerichte informatie over het bespreken van seksuele diversiteit is te vinden op:

  • Draaiboek Consult Seksuele Gezondheid (LCI/RIVM)
  • Thema Seksuele- en Genderdiversiteit op Seksindepraktijk.nl
  • Publicaties rondom LHBTI-emancipatie op Movisie.nl

Volg ook de gratis workshops over seksuele diversiteit: ‘LHBT-jongeren in de JGZ’ & ‘Seksuele Identiteit, zelfacceptatie en coming out’ in onze Digitale Leeromgeving Soa Hiv Seks.

Delen

Alle SekSoa Magazine artikelen zijn terug te vinden in ons archief

Bekijk archief